Snorkelen in de Straat van Mozambique

Snorkelen in de Straat van Mozambique

Stel, je hebt geen klimdiploma, geen duikbrevet maar enkel zwemdiploma A. Maar toch… toch zou je graag een bijzondere vakantie beleven. Het avontuur lokt. Denk dan eens aan het grote eiland rechts onder Afrika. Madagaskar. Daar kun je een ontspannen maar tegelijk bijzonder avontuur beleven. Hoe?

Zelf op reis naar Madagaskar? Bekijk onze reizen van diverse reisspecialisten>>

Twee berichten die onlangs nog de krant haalden: ‘Palmboom ontdekt die zichzelf dood bloeit’ en ‘Fossiel vraatzuchtige duivelspad gevonden’. Alle¬bei op Madagaskar, want daar worden bizarre vondsten gedaan. Ga achter je pc zitten, gooi het woord Mada¬gaskar in een zoekmachine en je ziet al muisklikkend het ene wondertje na het andere. De sifaka, de aye aye (vingerdier), de fosa, zo gaat het maar door. Nu je toch achter de pc zit, surf eens naar enkele reisorganisaties. Alle kans dat je op de site van Travels4Pros stuit. Deed ik ook, en ik las: ‘Een tocht per dhow, een traditionele houten zeilboot, vanaf Nosy Be, een eiland voor de westkust van Madagaskar. Overnacht wordt in tentjes op verder verlaten strandjes, onder palmen. Overdag snorkelen in glashelder water, boven levend koraal, zeeanemonen en harlekijnvissen. Of trek de jungle in, zoekend naar kameleons en lemuren (halfapen).’ Om een lang verhaal kort te maken, niet lang hierna land ik op Madagaskar, het op drie na grootste eiland ter wereld (alleen Groenland, Nieuw Guinea en Borneo zijn groter). Nieuwsgierig naar wat komen gaat, net als Angela, Belinda, Ilonka, Mark, Michel, Paul, René en Sandra. Mijn reisgenoten.

Seksueel onverzadigbaar
Voor Antananarivo, de hoofdstad, hebben we één dag. Veel te kort natuurlijk. Om de tijd optimaal te benut¬ten, is voor ons een gids, Fano, en een busje ingehuurd. Antananarivo, kortweg Tana, is op twaalf heuvels ge¬bouwd, midden op La Grand Île. Hoogbouw is zeldzaam, Tana is in de breedte gebouwd, we zien zelfs rijstvel¬den. En ontelbare bouwsels, van krot tot kathedraal. Tana is druk, chaotisch. Reclame – la vache qui rit – en een Monument aux Morts herinneren aan het oude moederland. Net als de gammele Lelijke Eenden en Renaultjes 4 die het kruimelasfalt delen met ossen¬karren en fourwheeldrives. Kinderen hoepelen met
een fietsband. Jacaranda bomen pronken met paarse
bloesem. En overal wordt iets verkocht. Zonnebrillen, kippen, mobieltjes, vers vlees, mango’s, benzine. Waar is het rustig? Op de hoogste heuvel in het midden van de stad, de Haute Ville. Hier vinden we een museum en een paleis, de Rova. Hoewel, paleis is een groot woord. Op een poort zit een eenzame bronzen adelaar, en daarachter staan vier hijskranen om een imposante ruïne. De Rova is in 1995 in brand gestoken. Terwijl ik lurk aan een vergeperst fruitsapje, vertelt Fano: ‘Op Madagaskar heb je de Merina, de bergbewoners, en de côtiers, de kustbewoners. En die maken vaak ruzie. Bij¬voorbeeld over wie het paleis in brand heeft gestoken.’ Maar wie heeft het nu gedaan? ‘Een kustbewoner.’ En jij bent zeker een bergbewoner? want ze was ook nog eens seksueel onverzadigbaar, maar dit terzijde. In het museum daar, op een schilde¬rij, kun je the mad queen nog zien.’ We bezoeken eerst, met Fano op een afstandje, de wrede koningin en daarna Tsimbazza, een botanisch en zoölogisch park. Zo kunnen we al van dichtbij bekijken, wat we later deze week in het wild hopen te spotten. ‘Daar, een fosa!’

welcome, just relax
Hoe ruikt een zwoel, exotisch eiland? Dat is moeilijk uit te leggen, maar als je ’s avonds landt op Nosy Be, voor de noordwestkust van Madagaskar, dan weet je het. In elk geval zoet, naar vanille en ylang-ylang (boom met bloemen waarvan olie wordt gestookt, als basis voor parfum). Kapitein Mohammed Bakary, een boomlange, goedlachse ex-tandarts, wacht ons op bij de enige lopende band van de luchthaven. ‘Welcome, just relax. Mora, mora.’ In drie auto’s slingeren we naar Hell-Ville, de ‘hoofdstad’ van het eiland. Raampjes open. Langs de weg: giechelend geboomte, tjirpende krekels en ranke silhouetten in sarong, manden dra¬gend op het hoofd. Bij Villa Fany, waar we de komende nacht zullen doorbrengen, droppen we onze bagage. Gekko’s tegen de muur, kaarsen op het nachtkastje. Voor als de stroom uitvalt. Zoals nu. In het donker lopen we naar de Boulevard de l’Indépendence, de hoofdstraat van Hell-Ville (genoemd naar admiraal De Hell, een Franse gouver¬neur). Ons pad wordt slechts verlicht door sterren en vuurvliegjes, maar daar zijn er hier veel van. In een morsig café worden bij het zien van naderende vazahas (bleekgezichten) enkele wulpse dames naar buiten gedirigeerd. Bevallig en bekoorlijk lachend. Toch be¬sluiten we ergens anders te gaan eten. Frites met kip, smakend naar échte frites en échte kip. Dit met rum bij kaarslicht, en óf dat avontuur is.

Plons! Plons! Plons!
Na een mugloze nacht en een kakelvers ontbijt pikt Mohammed ons weer op. We rijden door Hell-Ville bij daglicht, langs het grote kerkhof en naar de kleine maar o zo belangrijke haven. Statige koloniale panden staan stil te vergaan. Een veerbootje, tjokvol gepropt met mensen en pluimvee, pruttelt richting horizon. Van schip naar schip klauterend, bereiken we onze dhow, de Salama Tsara (Gegroet Schoonheid), uitgerust met zeil en motor. Vier koppen telt de bemanning.
Schipper Mohammed, twee matrozen, Joni en Toni, en de kok Safi, de enige vrouw in het gezelschap.
Dan is het zover, we gaan varen. Een zilt briesje zorgt voor een vermoeden van rimpeling op de verder vlakke Indische Oceaan. Of beter gezegd: de vlakke Straat van Mozambique, want zo heet het water tussen Afrika en Madagaskar. Meeuwen jagen achter een school vliegende vissen aan. ‘Beet!’ Michel, die een lijntje had uitgeworpen, heeft wat aan de haak geslagen.

Help!’ Iets groots. Met drie man sterk wordt ruim een meter vis aan boord gehaald. Een barracuda. ‘Voor vanavond, bij het kampvuur’, grijnst Mohammed, waarna hij koers zet naar het piepkleine eiland Nosy Tanikely. ‘Als je hier nu gaat snorkelen’, legt de ex-tandarts uit, ‘zie je hard en zacht koraal, zeekomkommers en anemonen, allerlei gekleurde vissen, solo of in scholen, en ook…’ Plons! Plons! Plons! We zijn weg. Snorkelend in de Straat van Mozambique. Het is even wennen, ademen door zo’n pijpje, maar al snel zweven we mora, mora (slowly, slowly) boven zebravisjes, oranjewitte clownvisjes en tal¬loze waanzinnig gekleurde wondertjes die ik niet kan benoemen. Ik ben een genieter, geen kenner. ‘Hier, schildpad!’

Jawel, een zeeschildpad. Een kanjer. Zo snel al. Het
dier laat zich gewillig betasten. Wat gaan we hierna nog zien? Met Michiel en Mark spartelsnorkel ik naar het strand van Nosy Tanikely, waarna we onder het toeziend oog van honderd hagedissen over een kron¬kelpad naar het hoogste punt van het eiland lopen, een vuurtoren uit 1908. De cisterne naast de toren en enkele verwilderde bananenbomen verraden dat hier ooit iemand heeft geleefd, maar nu brandt er geen licht meer aan het einde van de wenteltrap. We dalen weer af, via een ander pad, dat echter doodloopt onder een kolonie flying foxes: tientallen grote vleermuizen, hangend aan boomtakken, als zwarte paraplu’s, met de koppen naar beneden. Weer terug aan boord is het tijd voor de lunch. Terwijl het anker wordt gelicht, genieten we van gebakken inktvisjes met rijst, salade, spicy saus en een mango¬sapje. Mohammed vaart ons naar een verlaten strand onder kromgebogen kokospalmen. Hoewel, verlaten, er staat een zebu (buffel) te herkauwen. Tentjes worden
opgezet, inclusief matrasjes en voetenbad, en Safi richt
haar keuken in. Samen met Sandra loop ik een stukje het land in, de zebu groetend en rivierkreeftjes observerend, die verstoppertje spelen in de stoppelgrond. Onder enkele palmen vinden we twee verweerde graf¬stenen, naamloos. Twee rode kikkers houden zwijgend de wacht. Sandra: ‘Geloof jij in reïncarnatie?’ En terwijl ik dit nu opschrijf, wordt rum punch gemixt en knispert er een kruidige kingfish op de grill. Welriekende dampen zweven over het strand, dat oranje kleurt door de zon die zelf in een sinaasappel veran¬dert. De Straat van Mozambique mompelt zacht, om ons heen trippelen krabben met oogjes op stokjes en rond het kampvuur worden persoonlijke bekentenis¬sen uitgewisseld. Angela houdt van Hazes en Ilonka was ooit haarzelf kwijt.
Koraalduivel!
Afro-Calypso klanken klinken vanaf de Salama Tsara. De bemanning is druk doende het kamp op te breken als wij nog aan het geroosterd stokbrood met honing
en confiture zitten. Met verse fruitsalade. ‘Dolfijnen!’
Angela wijst naar zee. En ja, in de verte steekt af en toe iets zijn kop boven het water. ‘Nee, bultruggen’, verbetert René op afstand. Het anker gaat op. ‘This is the program of today’, zegt Mohammed, waarna hij ons zowel een gouden snorkelspot als een historisch strand belooft. Af en toe passeren we, de vis¬sers groetend, een andere dhow of kleinere piroque. ‘Die zeilen, zo’n driehoek, net als op de Nijl’, zucht Belinda. ‘Alleen al hoe de zon door zo’n zeil valt, vind ik al bijzonder’, vult Sandra aan. We spotten grote springende vissen. ‘Tonijn’, weet Mohammed. Voor Big Leaf eiland gaan we snorkelen en peddelen. Want ja, we hebben ook zeekano’s aan boord. Opnieuw zie ik zee-egels, zebravisjes en zeeschildpadden. En nee, dat verveelt niet. ‘Pincetvis!’ ‘Koraalduivel!’ Na de lunch varen we, met onze schipper aan het roer, sturend met de linkervoet, naar het beloofde strand. Russian Bay, een schuilbaai voor schepen in het orkaanseizoen. Mohammed: ‘Vraag me niet waarom,
maar honderd jaar geleden, tijdens de Russisch-Japanse oorlog, dachten de Russen dat de Japanners de Straat
van Mozambique wilden gaan controleren. Daarom stuurde de Tsaar een schip hierheen, de Vlötny. Die jongens, gewend aan het ijs en de vrouwen van Moer¬mansk, bouwden hier iets van een fort, een muur met schietgaten. Vervolgens slurpten ze een kokosnoot leeg en keken eens goed naar onze vrouwen.’ De ex-tandarts knijpt glimlachend één oog dicht tegen
de zon, en vertelt dan verder. ‘Enfin, de Japanners
kwamen nooit, de vrede werd getekend, maar aan de Russen hier werd dat niet verteld. Ze wilden het ook niet weten. Tot hun dood zijn ze gebleven. Je kunt
hun muur hier nog zien, en hun grafstenen’ We gaan aan land. Gekwinkeleer alom. Drie mannen repareren – mora, mora – de romp van een boot. Met hout, doek en pek, dat wordt gekookt in een roestig blik. Twee kinderen laten stralend hun schelpen zien. Hun leven lijkt niet veel anders dan dat van hun over¬grootvader ten tijde van de Russen. ’s Avonds, rond het tweede kampvuur van de week, worden de bekentenissen schokkender. Michel ver¬diende ooit goud geld aan oude meubelen die hij stroopte in India. Mark heeft de 100 meter rugslag op de Olympische Spelen van Moskou op een haar gemist. Paul is in Helmond geboren.


De jungle piept, huilt en fluistert
‘Twee zeeschildpadden!’ ‘Grote inktvis!’ Inderdaad, we snorkelen weer. De dag begon al om zes uur, met Ilonka in lotushouding op het strand, zoekend naar haarzelf. Eenmaal gevonden, volgden er enkele indrukwekkende strekoefeningen, waarna de opkomende zon werd begroet. Weer aan boord, ingesmeerd met Nivea factor 40, schroef ik mijn fototoestel in een speciale plastic hoes die fotograferen onder water mogelijk moet maken. Zwemmen met dit ding is doodeng, want als-ie lekt, wordt dit een verhaal zonder foto’s. Maar nee, het gaat goed, zoals u met deze REIZEN onder uw neus nu zelf kunt vaststellen. Al is het nog best lastig zwemmen met een camera. Ademen door mondstuk en pijpje gaat al wel op wel routine.
‘Just relax, we are going to sail’, zegt Mohammed. Joni en
Toni klimmen in de mast. De giek, tien meter lang, kreunt luid. Er volgt een spel met touwen en katrollen, knopen vast- en losmakend. Dan is het moment daar, de enorme linnen driehoek valt omlaag, bolt op en hop… we are sailing. Angela: ‘Gaaf!’ Mohammed, vandaag sturend met zijn rechtervoet, is al drie jaar kapitein. ‘Elke twee maanden maak ik deze tocht zes keer’, zegt hij. ‘De overige twee weken heb ik nodig voor de administratie en het onderhoud van de boot. Ik ben dus weinig thuis, helaas, maar heb geweldig werk. Mijn klanten komen uit Zuid-Afrika en
Frankrijk. Jullie zijn mijn eerste Nederlandse groep.’
Het anker valt voor het strand van het Lokobe Réserve, een natuurpark waarvan de jungle tjirpt, piept, huilt,
fluister en gilt. Twee kraampjes met schelpen, kleden
en houten maskers verklappen dat hier wel vaker toeristen aan land komen. We hebben uitzicht op een vulkanisch eilandje, Nosy Komba. En dat niet alleen, in no time kolkt de hemel zwart en barst een noodweer los. Recht boven ons, want in de verte blijft de zon onverminderd stralen. Tien minuten later lost al het zwart op en is de wereld weer droog. ‘Iemand nog een rum punch?’ Rond het kampvuur eten we garnalen van de spies, versgebakken brood, kokosrijst en ratatouille. In de vlammen starend, bekent Mark: ‘Op mijn vrijgezellen¬avond was ik een banaan.’

Verre van alledaags
We varen naar Ampangorina, een dorp op Nosy Komba. Met guesthouses, een duikschooltje en winkeltjes waarin je kruiden, parfum, houtsnijwerk en kunstig beschil¬derd textiel kunt kopen. Veel andere toeristen zien we niet, maar ondanks dat tonen de aanbieders zich verre van opdringerig. Uit een schooltje, met de ramen wijd open, klinkt de tafel van tien in het Engels. Vijf minuten later staan Sandra en Belinda voor de klas, Nederland op de wereldkaart aanwijzend en vervolgens Ouwe taaie jippie jee zingend. Zelden kinderen zo zien glunderen Dan lopen we een stuk de natuur in. En ja, daar spot-ten we een kameleon. En nog eentje. En ook lemuren, met jongen. Niet bepaald wild, want de lokale Malagas¬sy zorgen er goed voor dat de fauna zich hier welkom voelt. Maar goed, er kronkelt nu wel een volwassen boa om Franks nek terwijl een koudbloedige kameleon over mijn arm trippelt. Zulks voelt verre van alledaags. ’s Middags legt de Salama Tsara aan bij een zandbank die twee eilandjes verbindt. Voor de laatste keer gaan de duikbrillen op. ‘Pijlstaartrog!’ ‘Die is toch dodelijk?’
‘Ja, hoezo?’
Bij het kampvuur wil Mohammed Ouwe taaie graag nog een keer horen. Hij krijgt er Zij gelooft in mij en Een beetje verliefd als toegift bij. De barracuda op de grill boft dat hij dood is. Uit de jungle klinkt gekrijs. Met een zaklamp gewapend gaan we op onderzoek. Eerst zien we acht paar gele oogjes, daarna kleine donkere lichaampjes.
‘Zwarte lemuren’, fluistert Michiel vertederd. ‘Als ze
hun ogen sluiten, zie je niets meer.’
Als we in alle vroegte naar Hell-Ville pruttelen, laten enkele dolfijnen nog even hun kop zien. In het hecti¬sche haventje nemen we afscheid van Joni, Toni, Safi
en onze kapitiein. Mohammed: ‘Opschieten, jullie vlucht naar Tana ver¬trekt over een uur.’  Eenstemmig klinkt: ‘Just relax. Mora, mora

Zelf op reis naar Madagaskar? Bekijk onze reizen van diverse reisspecialisten>>