De geschiedenis van Central Park

De geschiedenis van Central Park

New Yorkers beschouwen Central Park als hun gemeenschappelijke voortuin. Hier lezen ze een krantje, gooien een balletje over of maken rondjes op de fiets. Het gros van de New Yorkers denkt dat de groenvoorziening hier altijd al is geweest, en vindt dat best. Toch is het stadspark nog maar 150 jaar oud. In de negentiende eeuw lag hier alleen een groot stuk zompig moerasland, waar voornamelijk de zwarte bevolking woonde en werkte in een dorp dat zijn tijd ver vooruit was. AmericA ging op zoek naar de geschiedenis van Central Park.

Zelf op reis naar de USA? Bekijk het reisaanbod>>

Een oase te midden van de overweldigende wolkenkrabbers, verstopte verkeersaders en onophoudelijke stroom mensen; Central Park is een ideaal toevluchtsoord voor wie genoeg heeft van alle commotie in de stad die nooit slaapt. Met een grootte van 3,4 vierkante kilometer is het eerste openbare park van de Verenigde Staten niet te missen, iets dat door New Yorkers hartstochtelijk wordt beaamd. Het immense netwerk aan velden, bossen en waterpartijen is aangelegd voor en door de inwoners van negentiende-eeuws New York. Dat daarvoor de eerste nederzetting van de zwarte bevolking in Manhattan moest verdwijnen, is een weinig gehoord verhaal.


Cijfers
Hoewel het eruitziet alsof de natuur haar werk heeft gedaan, werd Central Park geheel door mensenhanden geschapen. De aanleg werd al vanaf het ontwerp groots aangepakt, wat resulteerde in een veelzijdige groenvoorziening. Uiteindelijk ravotten hier jaarlijks 25 miljoen mensen in een park dat ongeveer zes procent van Manhattans totale oppervlak beslaat. Daarbinnen heeft de parkganger de beschikking over zeven wateren en meertjes, 100 hectare aan gazons, 55 hectare aan bos, 26.000 bomen, 9.000 bankjes, zeven sierfonteinen, 125 waterplaatsen, 36 bruggen, 21 speeltuintjes, 51 beelden en de mogelijkheid om meer dan 275 soorten vogels te bekijken. Bovendien floreert de Amerikaanse iep hier beter dan waar ook in het noordoosten van de VS, omdat de geïsoleerde ligging de bomen beschermt tegen de Dutch Elm Disease (Iepziekte, veroorzaakt door schimmels – red.). Het verkeer – inclusief auto`s – beweegt zich over een tien-kilometer lange ringweg om het park heen. Voetgangers nemen de voetpaden die met een lengte van in totaal 90 kilometer door het park slingeren. Een droom in een droomstad. Het duurde maar liefst vijftien jaar om Central Park aan te leggen, tegen de lieve som van 14 miljoen dollar.
 
Uptown en downtown
Anderhalve eeuw geleden zag het gebied dat nu het park is, er heel anders uit. Het gedeelte dat ten noorden van Manhattan ligt, stond bekend als Uptown en was een soort boerengemeenschap, met weelderige heuvels, bossen en grote stukken braakliggend land. In tegenstelling tot het stadse Downtown, waar mest en modder de straten bedekten en het altijd een drukte van jewelste was, pionierden de land- en veebouwers er in de regio rustig op los. Downtown groeide als nooit tevoren maar in 1835 verwoestte een grote brand de meeste houten huizen in de stad. New York leek geruïneerd, maar bloeide toch weer op door snelle, efficiënte stadsvernieuwing en de stroom fortuinzoekers die daarop volgde. Om het stadsbestuur zo ‘soepel mogelijk te laten verlopen`, werden klassen en rassen in verschillende wards (wijken) ingedeeld. Noord-Ieren, Engelsen, en Nederlanders leefden in de relatief welgestelde 15th Ward, terwijl de zwarte bevolking in de 6th Ward, in buurten als Five Points en Little Africa, woonde. Maar door de snelle groei van de stad bleef er van een scheiding niets over: met name de Ieren trokken veelvuldig naar de krottenwijk Five Points en namen de buurt in rap tempo over. De slavernij was dan wel officieel afgeschaft in New York, de zwarte bevolking werd nog steeds openlijk gediscrimineerd en gesegregeerd – zoals dat in de rest van de Verenigde Staten tot aan de jaren zestig van de vorige eeuw het geval was. Veel zwarten trokken daarom weg uit New York, en diegenen met een beetje geld bleven in het relatief goedkope Uptown plakken.
 
Seneca Village
Een van de dorpjes in Uptown was Seneca Village. Dit dorpje lag in wat nu het westelijke gedeelte van het park is, grofweg tussen 82nd en 89th Street en 7th en 8th Avenue. Hoewel hier voornamelijk zwarte grondbezitters woonden, leefden er ook Ieren, Duitsers en enkele indianen. Seneca Village had een kleine driehonderd inwoners. Over het geheel genomen was het een groeiende gemeenschap, met drie kerken, een school en meerdere begraafplaatsen, al kon je Seneca Village niet welgesteld noemen. Het was ook niet populair bij de stedelingen: niet alleen werd er neergekeken op de zwarte bevolking, maar ook de katholieke Ieren konden in de ogen van protestants New York geen goed doen. Bovendien werd de kost in Seneca Village verdiend met zogenaamde ‘ nuisance industries` : stinkend, gevaarlijk werk als het maken van zeep en kaarsen en het uitkoken van botten voor kristalsuiker en lijm. Toch waren de inwoners trots: op het feit dat ze, als kleurling of katholiek, in racistisch Amerika een eigen stuk land bezaten, maar ook op het feit dat daarbij volgens de staatsgrondwet het stemrecht hoorde – van de 12.000 zwarte mannen in New York mochten er dientengevolge maar 100 stemmen. Tien daarvan woonden hier, in Seneca Village. Discriminatie bestond er niet, Seneca Village was wat dat betreft zijn tijd ver vooruit. Pas veel later ontstonden de zwarte wijken als Harlem. Aan de pioniers van Seneca Village kon men al rond 1840 een voorbeeld nemen.

Roep om openbare voorzieningen
Halverwege de negentiende eeuw begon een groepje vooraanstaande New Yorkers – onder wie de burgemeester – te lobbyen voor een openbaar park, dat op zijn minst de grandeur van de publieke parken in de grote steden van Europa moest evenaren. Groot, elegant en vooral in het betere gedeelte van de stad. De parken die de stad tot dan toe rijk was, waren kleine, door ijzeren hekken afgesloten stukjes groen, waarin omwonenden die een sleutel hadden op beschaafde wijze konden recreëren. Het ‘volk` behielp zich met grote grasvelden dat ze moest delen met het leger, dat er oefeningen hield. Een andere populaire plek voor een picknick vormde daarom de begraafplaats; het is vandaag de dag nog steeds heel gewoon om te lunchen bij het graf van een overleden familielid. Omdat er zich in New York meer en meer mensen vestigden, werd de roep om openbare voorzieningen luider. Door de barre hygiënische omstandigheden van sommige wijken braken er steeds meer ziektes, zoals cholera en gele koorts, uit – natuurlijk steevast de schuld van de armen. Een stukje New York, waar rust en natuur heersten over commercie en vooruitgang, zou de oplossing zijn.
 
Onteigening
In 1853 werd het gebied tussen 59th en 106th Street en tussen 5th en 8th Avenue toegewezen aan de ontwikkelaars van Central Park. Het land en de dorpjes die in dat gebied lagen, waaronder Seneca Village, werden onteigend; de bewoners dienden zo snel mogelijk te vertrekken. Ter compensatie werd elk stuk grond door een gemeentetaxateur op waarde geschat en kreeg de eigenaar een schadeloosstelling. De protesten laaiden hoog op: vrijwel iedereen werd natuurlijk benadeeld. Vruchteloos streden de dorpsbewoners als leeuwen om hun zo moeizaam verworven eigendommen. Sommigen gebruikten daarbij geweld en anderen doken in de formulierenstroom van de democratische protestmolen. Alle strijd ten spijt: het door de gemeente opgeklopte belang van Central Park en de vernietigende krantenberichten over de schandelijke taferelen in het parkgebied hadden hun werk gedaan. The Daily Times meldt op 9 juli 1856 zelfs: ‘Als de varkens, geiten en andere bewoners van de aanwezige hutjes afgelopen zomer niet zijn doodgegaan aan gele koorts, is het alleen omdat de Dood aarzelde om die smerige krotten binnen te gaan.` Op 1 augustus 1856 werd elke inwoner van Seneca Village de wacht aangezegd. Wie weigerde te vertrekken, werd hardhandig en zonder financiële compensatie verwijderd. Bijna 1.600 mensen, verspreid over 7.500 kavels, werden uiteindelijk de dupe van de grote plannen van gegoed New York. En daarmee verdween een bloeiende gemeenschap, die het al meer dan dertig jaar volhield aan de rand van de Nieuwe Wereld, zonder vrijwel een spoor achter te laten. Tot op de dag van vandaag is er geen levende afstammeling van Seneca Village bekend.
 
Herinneringen
Het enige dat nog aan de oorspronkelijke bewoners van Central Park herinnert, is een plaquette die in 2001 haast schoorvoetend werd geplaatst. Mondjesmaat duiken er analyses van overblijfselen van het dorp op, uit opgravingen die in 2004 werden gedaan. In een speciaal onderwijsprogramma wordt aan de hand van foto`s van gebruiksvoorwerpen als oude flessen, knopen en spijkers en originele kinderspelletjes uit die tijd, een poging gedaan om het beetje informatie over Seneca Village over te brengen aan de jeugd. De vrolijke stemming die dit aanvankelijk oplevert, slaat om in ernst en verbazing als de medewerker van de Central Park Conservancy vertelt over de brute, oneerlijke wijze waarop Seneca Village van de kaart is geveegd. De felle discussie die ontstaat, is eigenlijk dezelfde als lang geleden: Weegt de immense waarde van Central Park voor New York op tegen die van het kleine dorpje dat ervoor moest wijken? Het antwoord blijft iedereen schuldig. Maar dat er tegenwoordig in elk geval gediscussieerd wordt, is beter laat dan nooit.

Zelf op reis naar de USA? Bekijk het reisaanbod>>